Voelen, Doen, Denken en Relateren
Stel je voor: je hebt een cliënt, Lisa. Lisa is snel angstig, piekert veel en wordt overspoeld door negatieve emoties als er iets misgaat op haar werk. In de DSM-classificatie noemen we dit vaak een ‘Gegeneraliseerde Angststoornis’ of een ‘Depressieve Stoornis’.
Dan hebben we Jan. Jan is ook snel angstig, piekert veel en wordt overspoeld door negatieve emoties als er iets misgaat. Maar Jan krijgt het label 'Persoonlijkheidsstoornis' (bijvoorbeeld NAO, of trekken van Borderline/Ontwijkend).
Waarom? Omdat we bij Jan zeggen: "Dit zit in zijn karakter, hij is altijd al zo geweest". We gebruiken de zogenaamde 'pathologische trekken' (Criterium B in het AMPD) om de ‘diagnose’ te rechtvaardigen. We zeggen: Jan scoort extreem hoog op Negatieve Affectiviteit.
Maar is dat wel een valide onderscheid? Verwarren we onbedoeld verschillende concepten? Of, lijden we aan wat in recente literatuur de "illusie van persoonlijkheid" wordt genoemd (Zavlis, 2025)? Het idee dat wanneer gedrag maar extreem genoeg is, het plotseling 'persoonlijkheid' wordt?
Graag neem ik je mee in wat verschillende recente onderzoeken ons hierover vertellen, allemaal uit de meest recente editie van de Journal of Psychopathology and Clinical Science (2026).
Let op: dit artikel is een vervolg op ‘de grens van onze labels’ en onderdeel van een reeks van 4 artikelen.
“Het onderscheidende kenmerk van een persoonlijkheidsstoornis is niet welke eigenschappen je hebt, maar hoe je systeem reageert op de wereld.”
De Grote Drie: Voelen, Denken en Doen zijn niet specifiek
Als we de vijf domeinen van pathologische trekken (uit de DSM-5 en ICD-11) onder de loep nemen, zien we dat drie van deze domeinen helemaal niet uniek of specifiek zijn voor persoonlijkheidsstoornissen (o.a. Zavlis & Fonagy, 2025). En daar bestaat in de literatuur nu, steeds meer consensus over (Hopwood, 2025). Drie van de vijf pathologische trekken, reflecteren algemene probleemgebieden:
Negatieve Affectiviteit (Het Voelen): Dit is de neiging om angst, somberheid en schuld te ervaren. Maar dit is precies de kern van alle internaliserende stoornissen (angst, depressie).
Ongeremdheid / Disinhibitie (Het Doen): Dit gaat over impulsiviteit en onverantwoordelijkheid. Dit past naadloos op externaliserende stoornissen zoals ADHD en problematisch middelengebruik.
Psychoticisme (Het Denken): Dit betreft vreemde overtuigingen en excentriciteit, wat direct samenvalt met het psychoticisme-spectrum.
Wanneer we iemand ‘diagnosticeren’ met een persoonlijkheidsstoornis louter omdat hij hoog scoort op deze trekken, doen we eigenlijk niets meer dan symptomen beschrijven. We zouden dan ook een vormfout maken, wanneer we de richtlijnen van het AMPD volgen: om te komen tot een classificatie van een persoonlijkheidsstoornis is immers het A-Criterium vereist (niet alleen het B-criterium). Met het B-criterium beschrijven we de ‘buitenkant’ of ‘stilistische expressie’, maar deze heeft geen oog voor wat deze ‘expressie drijft’.
Zoals Hopwood (2025) scherp stelt: de discussie over trekken leidt tot methodologische stagnatie. We blijven hangen in het meten van eigenschappen die we ook bij andere stoornissen zien.
De enige trekken die algemene pathologie scheiden van trekken die werkelijk specifiek zijn voor wat we (nu) ‘persoonlijkheidspathologie’ noemen, zijn de trekken die gaan over relateren: Antagonisme (tegen de ander) en Onthechting (weg van de ander).
Tip: meer weten over hoe de vijf trekken zich verhouden tot de verschillende concepten? Bekijk ook eens dit artikel.
Het Kantelpunt: Trekken zijn Statisch, Functioneren is Dynamisch
Maar als de trekken niet het verschil maken, wat dan wel? Onderzoekers Wright et al. (2026) hebben gekeken naar hoe mensen veranderen na ingrijpende levensgebeurtenissen ('life events'). Wat bleek?
Persoonlijkheidstrekken (Criterium B) bleken relatief stabiel. Ze veranderden nauwelijks door wat iemand meemaakte. Ze zijn sterk geworteld in ons biologisch temperament en bepalen via welk ‘kanaal’ de ‘pijn’ of het ‘ongemak’ tot expressie komt.
Persoonlijkheidsfunctioneren (Criterium A) bleek daarentegen veel gevoeliger voor context en de omgeving. Na belangrijke levensgebeurtenissen veranderde de mate waarin iemand zichzelf en de ander begreep aanzienlijk (de kern van het persoonlijkheidsfunctioneren).
Dit is een bijzonder relevante bevinding. Het onderscheidende kenmerk van een persoonlijkheidsstoornis is dus niet welke ‘gevoeligheid’ je hebt (ben je angstig of druk?), maar hoe je systeem reageert op de wereld. Wright en collega's tonen aan dat Persoonlijkheidsfunctioneren (PF) "meer kneedbaar" (malleable) is en gevoeliger voor externe invloeden.
Dit is ook relevant voor de focus in psychotherapie: we kunnen iemands temperament (de trekken) vaak niet fundamenteel veranderen (een introvert wordt geen extravert). Maar we kunnen wél het functioneren ten positieve ontwikkelen: de manier waarop iemand zich verhoudt tot zichzelf en zijn omgeving.
De Echte Kern: Het Conflict blijft Hangen
Als we de 'algemene' trekken wegstrepen, wat blijft er dan over - naast de twee specifiek relationele trekken - dat écht uniek is voor deze patiëntengroep? Kerber et al. (2026) werpen, op basis van hun grootschalige onderzoek (van meer dan 16.000 deelnemers) een bijzonder interessante denkrichting op. Zij vonden - net als Wright en collega’s (2026) - dat niet 'depressiviteit' of 'angst' de kern was, maar iets heel specifieks: de reactie op interpersoonlijk conflict.
Mensen met ernstige ‘persoonlijkheidsproblematiek’ onderscheidden zich door:
Inertie van conflict: Als er een ruzie of sociaal ongemak was, bleef dit hangen. Ze konden er niet van herstellen.
Volatiliteit: Hun sociale wereld werd ervaren als onvoorspelbaar en explosief.
Koppeling: Hun stemming werd volledig bepaald door negatieve sociale interacties (terwijl gezonde mensen ook nog blij konden zijn los van een conflict).
Hier zien we steeds meer onderbouwing voor het pleidooi dat we hielden, om niet langer te spreken van een stoornis van de ‘persoon’, maar te spreken over de Relationele Stoornis.
Conclusie
We moeten stoppen met het diagnosticeren van persoonlijkheidsstoornissen op basis van "te veel emotie" of "te veel impuls". Dat zijn eigenschappen die bij heel veel psychische stoornissen horen.
De ware diagnose ligt in het mechanisme. Heeft je cliënt last van angst (trek)? Behandel de angst. Heeft je cliënt last van het feit dat elk sociaal conflict hem volledig ontregelt, dat hij blijft hangen in wrok of angst voor afwijzing, en dat zijn beeld van zichzelf wankelt zodra de ander boos kijkt? Dan behandelen we een stoornis in het functioneren.
Maar... als het functioneren (Criterium A) zo gevoelig is voor de omgeving, wat is dan de motor die dit systeem aandrijft? Waarom 'crasht' het systeem van de borderline patiënt bij kritiek, terwijl de neurotische patiënt alleen maar even van slag is?
Het antwoord ligt in de diepere kern van het persoonlijkheidsfunctioneren: onze Identiteit. In het volgende artikel van dit vierluik, lees je daar meer over.