De Grens van Onze Labels
Introductie
In de supervisieruimte spreken we over een cliënte, die zichzelf beschadigd door te snijden, die wisselend intens verdrietig kan zijn en dan weer boos kan zijn en wie woedend reageerde op het verplaatsen van een afspraak. In classificerende termen zou er sprake zijn van een ‘borderline persoonlijkheidsstoornis’. Een andere cliënt lijkt zich tegenovergesteld te presenteren, maar classificeren we op dezelfde wijze: hij beschrijft een chronisch gevoel van ‘leegte’, weet niet goed wie hij is als hij niet aan het werk is en voegt zich continu naar wie hij tegenover zich heeft. Opnieuw: 'borderline persoonlijkheidsstoornis’.
Op papier hebben deze twee cliënten dus dezelfde ‘stoornis’. We noteren dezelfde ‘diagnose’ in ons EPD en - als we een veelgemaakte vormfout volgen - indiceren we zelfs voor een identieke behandeling. Maar gelukkig voelt mijn supervisant intuïtief wel aan: deze twee mensen verschillen fundamenteel van elkaar. Bij de ene lijkt het ‘huis’ in de ‘brand te staan’ (hoge emotionaliteit, impulsiviteit) en bij de ander lijkt er juist niemand ‘thuis te zijn’ (leegte, diffuse beleving van de eigen identiteit).
Dat ‘gevoel’ van mijn supervisant in deze, is dus geen ‘diagnostische onzekerheid’ - het is een bevestiging van het idee dat onze ‘labels’ (DSM-5 classificaties) de klinische realiteit niet dekken. In dit eerste deel van een vierluik onderzoek ik de diagnose van de verwarring: waarom lopen we vast in onze huidige classificaties?
De Illusie van het Label
We zijn getraind om symptomen te tellen: vijf van de negen criteria? Check: ‘diagnose’ gesteld. Maar zoals recent grootschalig onderzoek van Forbes et al. (2025) pijnlijk duidelijk maakt, is deze manier van werken gebaseerd op een illusie van homogeniteit.
De data laten zien dat onze vertrouwde labels, zoals 'Borderline' of 'Depressie', "notoir heterogeen" zijn. Twee mensen met dezelfde ‘classificatie’ van klachten, kunnen in de praktijk geen enkel symptoom delen. We plakken een statisch etiket op een dynamisch en complex probleem. We verwarren de beschrijving van de klacht (wat iemand heeft) met de verklaring van de stoornis (wie iemand is).
Hier lees je meer over het onderzoek van Forbes en collega’s.
In het geval van de twee cases in de introductie van dit artikel, zien we dit heel duidelijk:
Bij de 1ste casus zien we vooral symptomen: heftige emoties, impulsief gedrag. Dit zijn wat Hopwood (2025) "Problems in Living" noemt .
Bij de 2de casus zien we een probleem in de structuur: een onvermogen om zichzelf te definiëren. Dit raakt aan het Persoonlijkheidsfunctioneren in termen van het Alternatief Model voor Persoonlijkheidsstoornissen in de DSM-5 (AMPD).
Door ze hetzelfde label te geven, suggereren we dat de behandeling hetzelfde moet zijn. En daar gaat het mis.
De Verwarring tussen Trek en Functie
De kern van de verwarring ligt in het feit dat we vastzitten in een discussie over trekken (persoonlijkheidstrekken), terwijl we zouden moeten kijken naar functioneren.
We vragen ons af: "Is deze cliënt impulsief? Is hij vijandig? Is hij somber?" Dit zijn vragen over de Stijl van de pathologie (Criterium B in het AMPD). Maar zoals Hopwood (2025) en Zavlis (2024) betogen, zijn deze trekken vaak niet specifiek voor persoonlijkheidsstoornissen. Iemand met een angststoornis scoort ook hoog op neuroticisme; iemand met ADHD scoort ook hoog op impulsiviteit.
De echte vraag die we moeten stellen, is niet welke trekken iemand heeft, maar hoe iemand functioneert. Is er een stabiel 'zelf'? Is er het vermogen om de ander te begrijpen? Dit is het domein van Criterium A (persoonlijkheidsfunctioneren), ofwel de 'kern'.
Bij de client met een 'emotionele borderline’ presentatie kan het best zijn dat haar kern (Identiteit) relatief intact is, maar dat ze overspoeld wordt door stressoren (state-pathologie). Bij de 'lege' borderline, is de kern zélf defect (trait-pathologie/zelf-pathologie). Het label verhult dit cruciale onderscheid.
Van Buiten naar Binnen
Als we blijven hangen in het tellen van symptomen en het turven van trekken, doen we iets wat weinig doelmatig is. We behandelen de koorts, maar missen de infectie.
We moeten dieper kijken. We moeten voorbij de 'buitenkant' (de symptomen en de trekken) durven kijken naar de 'binnenkant'. Wat drijft dit gedrag? Wat is het mechanisme dat deze problemen genereert?
Zoals Zavlis et al. (2025) stellen in hun werk over generatieve modellen: we moeten niet alleen kijken naar de beschrijvende statistiek, maar naar het verklarende mechanisme. Een pleidooi welke door Hopwoord en collega’s (2026) nog eens herhaald werd: we zouden de dynamiek van ‘persoonlijkheid’ en psychopathologie moeten verhelderen en met diagnostiek bijdragen aan betekenisvolle behandeling.
Als ‘labels’ in dit opzicht niet werken en persoonlijkheidstrekken ons niet vertellen wat er écht aan de hand is, waar moeten we dan wél naar kijken?
We moeten kijken voorbij de buitenkant - meer naar binnen. Naar de kern die bepaalt of iemand überhaupt in staat is om relaties aan te gaan en zichzelf te sturen. In het volgende artikel duiken we in de "Illusie van Persoonlijkheidstrekken" en zien we waarom veel van wat wij 'persoonlijkheid' noemen, eigenlijk iets heel anders is.