Wat is Criterium A? Het niveau van persoonlijkheidsfunctioneren

Criterium A van het AMPD is de beoordeling van het niveau van persoonlijkheidsfunctioneren: de mate waarin iemands zelf- en interpersoonlijk functioneren beperkt is. Het bepaalt óf er sprake is van persoonlijkheidspathologie en hoe ernstig die is. Criterium B beschrijft daarna alleen nog de stijl waarin die pathologie zich uit.

Twee domeinen, elk met twee elementen:

  • Zelffunctioneren: identiteit (stabiel en accuraat zelfbeeld, emotieregulatie) en zelfsturing (coherente doelen, innerlijke normen, zelfreflectie)

  • Interpersoonlijk functioneren: empathie (het perspectief van de ander, inzicht in het eigen effect) en intimiteit (diepgang, duur en wederkerigheid van verbindingen)

Scoring gebeurt op de Level of Personality Functioning Scale (LPFS), van niveau 0 (geen beperkingen) tot niveau 4 (extreme beperkingen). Vanaf niveau 2 — matige beperkingen — is classificatie van een persoonlijkheidsstoornis aan de orde. Ongestructureerd klinisch oordeel blijkt daarvoor onvoldoende betrouwbaar; instrumenten als de STiP-5.1 zijn ontwikkeld om dat op te vangen.

Hieronder werk ik de vier elementen uit, en waarom de verschuiving van wat persoonlijkheid is naar wat persoonlijkheid doet je casusconceptualisatie verandert.

De inhoud is gebaseerd op het proefschrift van Weekers (2024).

Van wat persoonlijkheid is naar wat persoonlijkheid doet

Criterium A van het AMPD markeert een fundamentele verschuiving in hoe we naar persoonlijkheidsstoornissen kijken. In plaats van ons primair te richten op observeerbare symptomen (wat persoonlijkheid is), focust Criterium A op onderliggende mentale processen en capaciteiten (wat persoonlijkheid doet). Het definieert de kern van persoonlijkheidspathologie als een matige of ernstigere beperking in het zelf- en interpersoonlijk functioneren .

Deze beperkingen worden beoordeeld met de Level of Personality Functioning Scale (LPFS) . De LPFS gaat ervan uit dat alle persoonlijkheidsstoornissen een gemeenschappelijke kern hebben: beperkingen in capaciteiten die essentieel zijn voor een adaptief leven, zoals het ontwikkelen van een stabiel zelfbeeld en het aangaan van intieme relaties . Dit criterium bestaat uit twee domeinen, die verder zijn onderverdeeld in vier elementen.

 

Zelf- en interpersoonlijk functioneren

Criterium A is opgebouwd uit twee domeinen: het zelf-functioneren en het interpersoonlijk functioneren. Samen geven ze een compleet beeld van de kerncapaciteiten die bij persoonlijkheidspathologie verstoord zijn .

Zelf-functioneren

Dit domein beschrijft de interne, op het zelf gerichte psychologische processen. Het omvat twee cruciale elementen:

  • Identiteit: De ervaring van zichzelf als uniek, met duidelijke grenzen tussen het zelf en anderen. Dit element omvat ook de stabiliteit en accuraatheid van het zelfbeeld en de capaciteit om een reeks emoties te ervaren en te reguleren .

  • Zelfsturing: Het nastreven van coherente en betekenisvolle levensdoelen, zowel op korte als op lange termijn. Hieronder vallen ook het hanteren van constructieve innerlijke gedragsnormen en het vermogen tot productieve zelfreflectie .

Interpersoonlijk functioneren

Dit domein richt zich op de relationele capaciteiten van een individu in de omgang met anderen. Het bestaat eveneens uit twee elementen:

  • Empathie: Het begrijpen en waarderen van de ervaringen en motivaties van anderen. Dit omvat ook de tolerantie voor afwijkende perspectieven en het inzicht in het effect van het eigen gedrag op anderen .

  • Intimiteit: De diepgang en duur van verbindingen met anderen. Het gaat hierbij om het verlangen naar en de capaciteit voor nabijheid, en de wederkerigheid die in interpersoonlijk gedrag tot uiting komt .

 

"We kijken niet langer alleen naar wat persoonlijkheid is, maar vooral naar wat het doet."

 

Relevantie en Conclusie

De ware kracht van Criterium A zit in de dimensionele benadering. De beperkingen worden gescoord op een 5-puntschaal, de Level of Personality Functioning Scale (LPFS), die loopt van Niveau 0 (geen beperkingen) tot Niveau 4 (extreme beperkingen) . Dit maakt niet alleen een genuanceerde inschatting van de ernst mogelijk, maar biedt met Niveau 0 voor het eerst ook een operationele definitie van gezond functioneren .

Voor de classificatie van een persoonlijkheidsstoornis is een drempelwaarde van ten minste Niveau 2 (matige beperkingen) vereist . Dit roept een belangrijke vraag op voor de praktijk: hoe beoordelen we dit betrouwbaar? Onderzoek toonde aan dat een ongestructureerd klinisch oordeel hiervoor onvoldoende betrouwbaar is . De noodzaak voor gestandaardiseerde methoden heeft geleid tot de ontwikkeling van specifieke instrumenten, zoals het semi-gestructureerde interview STIP-5.1, om clinici te helpen Criterium A op een valide en betrouwbare manier te beoordelen .

In een volgend artikel zullen we dieper ingaan op Criterium B, de pathologische persoonlijkheidstrekken, en hoe beide criteria samen een compleet en klinisch relevant beeld vormen. Overweeg supervisie om de toepassing van Criterium A met instrumenten als de STIP-5.1 te oefenen in jouw praktijk.

Vorige
Vorige

Psychoticisme, antagonisme en de vijf trekdomeinen van Criterium B

Volgende
Volgende

Wat is het AMPD? Het alternatief model voor persoonlijkheidsstoornissen