Criterium A is het bewegende deel van de persoonlijkheid

Een supervisant legt twee uitslagen naast elkaar. Dezelfde cliënt, negen maanden ertussen, en daartussenin een relatie die uit elkaar viel en een verhuizing naar een andere stad. De trekprofielen zijn vrijwel identiek. "Er is niets veranderd," zegt ze, en ze klinkt teleurgesteld. Dan vertelt ze over de sessies. Over hoe hij inmiddels kan benoemen wat hij voelt vóórdat hij de deur uitloopt. Over dat hij zijn zus heeft teruggebeld.

Er is wel iets veranderd. Het stond alleen niet in wat ze mat.

 
 

Levensgebeurtenissen raken het functioneren, en de trekken nauwelijks

Amanda Wright, Luhmann en collega's (2025) volgden 1.440 Duitstalige jongvolwassenen een jaar lang, met metingen om de drie tot zes maanden. Ze maten persoonlijkheidsfunctioneren (in termen van het AMPD) en Big Five-trekken naast elkaar, en keken wat er rond levensgebeurtenissen gebeurde.

Het antwoord was eenzijdig. Levensgebeurtenissen verklaarden verschillen in ontwikkeling vrijwel uitsluitend voor persoonlijkheidsfunctioneren. Bij openheid en extraversie was er iets te zien, maar het patroon lag bij Criterium A.

Er zat nog een asymmetrie in. Het beginniveau van persoonlijkheidsfunctioneren voorspelde regelmatig hoe iemands trekken op een gebeurtenis reageerden. Andersom gebeurde dat nauwelijks. Wie met minder zelfsturing en minder capaciteit voor intimiteit een scheiding ingaat, komt er anders uit dan iemand die daar steviger stond. Het functioneren stuurt, de trekken volgen.

Met één voorwaarde erbij. Gebeurde er niets bijzonders, dan liep het functioneren vrijwel gelijk op met de trekken. Wie er hoog op zat bleef hoog zitten, wie er laag op zat bleef laag, en de groep als geheel zakte eerst wat weg om daarna te herstellen. Criterion A gedraagt zich in een rustige periode als een trek. Het laat zich pas van zijn beweeglijke kant zien wanneer er iets gebeurt.

Dat het beweegt, is trouwens geen eigenschap die pas in de volwassenheid opduikt. Sharp en collega's (2025) volgden 348 kinderen zeventien jaar en zagen het zelffunctioneren vanaf het vierde jaar gestaag vooruitgaan. Hopwood (2025) verklaart waarom dat zo moet zijn: persoonlijkheidsfunctioneren is geen trek maar één enkele ontwikkelingsdimensie, in rechte lijn afkomstig van Freud, Erikson, Loevinger en Kernberg. Rijping is geen toestand die je hebt. Het is iets dat vordert.

Bewegen is dus niet iets wat Criterium A soms doet. Het is wat het is.

Maar wat beweegt, veert ook terug

Dat is de helft van het verhaal.

Tel je het hele jaar bij elkaar op, dan is er van al die beweging niets over. De gemiddelden stonden na twaalf maanden weer waar ze begonnen.

Op de gewone maat voor stabiliteit viel dat nog mee. Over een jaar bleef de volgorde tussen mensen aardig staan, en alleen consciëntieusheid hield beter stand. Het verschil zit in de modellen die uitsplitsen welk deel van een score bij een stabiele kern hoort en welk deel bij het moment van meten. Daar had persoonlijkheidsfunctioneren de kleinste stabiele kern van alles wat ze maten, en liet alleen neuroticisme zich sterker meebepalen door de dag waarop je toevallig afneemt.

Ze trekken daar een conclusie uit die je zelden hoort van onderzoekers die het AMPD een warm hart toedragen: als veranderingen zo makkelijk terugveren, is Criterion A misschien niet het optimale behandeldoel.

Ik denk dat die conclusie te snel is, en het weerwoord komt uit dezelfde stapel literatuur.

Hopwood (2025b) beschrijft persoonlijkheidsfunctioneren als de mate waarin iemand psychisch gerijpt is, en voegt daar iets aan toe dat meestal wegvalt: mensen kunnen regrederen. Onder druk, of in bepaalde situaties, laten ze het functioneren zien van een structuur die minder ver ontwikkeld is dan waar ze op hun best staan. Daaruit volgt een voorspelling die je kunt natrekken. Persoonlijkheidsfunctioneren hóórt minder stabiel te zijn dan trekken. En die kortdurende verstoringen zijn niet de ruis rondom het construct. Ze zijn klinisch het meest relevante deel ervan, want de kans dat ze optreden loopt op naarmate de normale ontwikkeling minder goed op gang is gekomen.

Dat draait de bevinding om. Amanda Wright en collega's vonden de kleinste stabiele kern bij precies het construct waarvan Hopwood dat had voorspeld. Het schommelen is geen probleem met het meten. Het schommelen is waar je naar kijkt.

En dan verandert de vraag wat je als behandeldoel neemt. Niet het niveau op één moment, want dat veert terug. Wel hoe diep iemand wegzakt als er iets gebeurt, en hoe snel hij er weer staat. Dat is de amplitude, niet het gemiddelde. Een voormeting bij intake en een nameting na een jaar kunnen die amplitude niet zien, hoe je het ook uitrekent.

Ze houden zelf een slag om de arm: de hoge gevoeligheid voor het meetmoment kan aan de LPFS-BF 2.0 liggen in plaats van aan het construct. Dat is een eerlijke kanttekening, maar minder vernietigend dan hij klinkt. Aidan Wright (in press) wijst erop dat een hertestcorrelatie meetfout en echte verandering door elkaar mengt, en dat interne consistentie bij een bewegend construct de zuiverder maat is voor precisie. Die was in deze data hoger voor persoonlijkheidsfunctioneren dan voor de Big Five. Een lijst kan dus tegelijk precies meten en van maand tot maand andere uitkomsten geven. Dat is geen tegenstrijdigheid.

Meet het als eerste teken, niet als eindpunt

Amanda Wright en collega's bieden zelf het alternatief: persoonlijkheidsfunctioneren is waarschijnlijk een van de eerste kwaliteiten die verandert, en daarmee bruikbaar om behandelrespons te evalueren.

Dat is een andere klinische positie dan we Criterion A meestal geven. Niet: we brengen het functioneren omhoog en de rest volgt vanzelf. Wel: het functioneren laat als eerste zien dát er iets in beweging komt, en de vraag daarna is of die beweging beklijft.

Dat heeft gevolgen voor je meetmomenten. Aidan Wright beschrijft precies de fout die wij maken: een onderzoek met jaarlijkse metingen dat een vragenlijst gebruikt die naar de afgelopen twee weken vraagt. Je denkt dan het jaar te karakteriseren, maar je hebt twee losse momentopnames waarvan de uitkomst afhangt van wat er in die twee specifieke weken toevallig speelde.

Vervang "onderzoek" door "behandeling" en je hebt de standaardpraktijk beschreven. Eén meting bij intake, één na een jaar, en een conclusie over vooruitgang die op twee willekeurige weken rust.

Bij de LPFS-BF 2.0 is het nog een slag ongemakkelijker, want die noemt helemaal geen periode. Je cliënt geeft aan of een uitspraak waar is, en hoe waar dat is hangt af van wat hij op dat moment als "nu" meeneemt. Bij een instrument zonder venster kiest de cliënt het venster, en jij weet niet welk.

Wie iets van persoonlijkheidsfunctioneren wil zien, meet vaker en dichter op elkaar, en weet van zijn instrument op welke termijn het antwoord geeft.

En dan het behandeldoel zelf. Asselmann en collega's (2026) bepleiten in hun overzicht van interventies gericht op persoonlijkheidsverandering dat de doelen verbreed worden: weg van het verlagen van een score, richting vaardigheden en gedragsflexibiliteit. Dat sluit aan op wat hier het probleem is. Een score die terugveert zegt weinig. Of iemand in meer situaties meer manieren tot zijn beschikking heeft, zegt wel iets, en dat is ook wat psychotherapie feitelijk doet.

De supervisant had gelijk over wat ze zag. Haar vragenlijst had gelijk over wat hij mat. Ze keken alleen naar verschillende dingen, op verschillende schalen.


Bronnen:

Wright, A. J., Luhmann, M., Salzburg, S., Koss, M., & Haehner, P. (2025). A Multimetric Examination of Self-Reported Personality Functioning and Personality Trait Development. doi:10.1037/abn0001055

Wright, A. G. C. (in press). From Seconds to Seasons and Days to Decades: Timescales in Development. Annual Review of Developmental Psychology.

Sharp, C., Dong, F., Boone, K., Gilbert, K. E., Tillman, R., Barch, D. M., Luby, J. L., & Whalen, D. J. (2026). Do Trajectories of Self- and Interpersonal Functioning Identify a Core Underlying Developmental Pathway for Personality Pathology in Late Adolescence and Early Adulthood? Journal of Psychopathology and Clinical Science, 135(1), 9-24.

Hopwood, C. J. (2025a). Personality Functioning Only Makes Sense From a Psychodynamic Perspective. Commentary on Kerber et al. (2025). doi:10.1026/1616-3443/a000824

Hopwood, C. J. (2025b). Personality Functioning, Problems in Living, and Personality Traits. Journal of Personality Assessment, 107(2), 143-158. doi:10.1080/00223891.2024.2345880

Asselmann, E., Allemand, M., Baumgardt, S., Bleidorn, W., Buecker, S., Brüggmann, L., ... Zimmermann, J. (2026). Volitional Personality Development: Theoretical Foundations, Empirical Advances, and Future Directions for Personality Change Interventions. Social and Personality Psychology Compass.

Volgende
Volgende

Identiteit als Kern van het Functioneren